We zien de ander steeds vaker als minder mens, zonder dat we het doorhebben. Bijzonder hoogleraar Lotte Willemsen legt uit hoe ontmenselijking werkt. En hoe verhalen ons weer mens voor elkaar kunnen maken.
Het is een ongemakkelijke waarheid voor iemand zoals ik, die schrijft en spreekt over menselijkheid. En toch betrap ik mezelf er soms op: ontmenselijken. Ik doe het. Jij waarschijnlijk ook. Volgens sommige onderzoekers doen we het allemaal, vaak zonder het te beseffen. Zo heb ik moeite om bepaalde politici te zien als menselijke wezens. Dan denk ik niet: dat is een persoon met een overtuiging. Ik denk iets anders. Iets minder vleiends. Iets dat ik hier niet opschrijf. Menselijkheid is geen vast gegeven; het is iets wat we toekennen. Of ontzeggen. Dat laatste gebeurt vooral als de ander minder op ons lijkt. Mensen uit de eigen groep zien we als volledig mens. Mensen die ver van ons af staan… iets minder.
Een context waarin dat pijnlijk zichtbaar wordt, is de Amerikaanse politiek. In een tweepartijenstelsel verandert de andere helft van het land al snel van persoon in probleem: van medemens in monster, van ‘ander’ in ‘animal’. Trump noemt Democraten regelmatig beesten of ratten, maar Democraten doen precies hetzelfde richting Republikeinen. Vaak gebeurt dat niet eens met grote woorden. Ontmenselijking is meestal subtieler dan dat. Het schuilt in het ontkennen van eigenschappen die ons mensen van dieren onderscheiden: intelligentie, cultuur, ethiek. De ander wordt niet letterlijk een dier genoemd, maar wel gezien als minder slim, minder beschaafd, minder moreel ontwikkeld. Kortom: minder mens.
Ontmenselijking heeft consequenties. Wie de ander niet meer als volledig mens ziet, voelt zich ook minder verplicht die ander menselijk te behandelen. Empathie verschraalt. Hardheid voelt gerechtvaardigd. Het wordt makkelijker om iemand uit te sluiten of pijn te doen. Ontmenselijken is menselijk, maar zeker niet wenselijk. Echte menselijkheid zit juist in het voortdurende verzet ertegen. Wetenschapper Jonah Koetke en collega’s lieten zien dat verhalen hierbij kunnen helpen. Ze lieten Republikeinen en Democraten persoonlijke verhalen lezen: kleine inkijkjes in iemands leven, routines, relaties, werk, hobby’s, zorgen en verlangens. Cruciaal was één detail: sommige deelnemers wisten dat het verhaal van een politieke medestander kwam, anderen dat het van de tegenkant was.
Kunnen verhalen dat ongedaan maken?
Dat bleek verschil te maken. Zodra mensen zicht kregen op de geleefde verhalen van hun politieke tegenstander, schreven ze diegene meer menselijkheid toe, zelfs net zoveel menselijkheid als mensen uit de eigen groep. Vijandigheid nam af. Empathie nam toe. De politieke kloof verdween niet, maar aan de overkant stond weer een mens. Dat is een belangrijk inzicht voor communicatieprofessionals. Want wij maken verhalen, maar we bepalen ook wiens verhaal wordt verteld. Elke campagne, elk bericht en elke woordkeuze wordt daarmee ook een kleine beslissing over wie menselijk mag zijn in de ogen van de ontvanger.
Ik heb altijd geloofd in de kracht van verhalen, omdat het vertellen ervan een uniek menselijk vermogen is. Na het lezen van Koetkes onderzoek zie ik daar nog een reden voor: verhalen maken zichtbaar dat er achter elke politieke tegenstander, activist, boze burger of gefrustreerde klant nog altijd een volledig mens schuilt. Mensen maken verhalen, maar soms zijn het verhalen die ons weer mens maken. Ze vertellen wie de mensen achter het verhaal zijn en herinneren ons eraan dát het mensen zijn.




