Lotte Willemsen schreef deze brief en droeg hem op 10 september voor tijdens De Toekomst aan Tafel, een diner pensant ter gelegenheid van het tachtigjarig bestaan van Logeion. Lotte is bijzonder hoogleraar op de Logeion-leerstoel Strategische Communicatie aan de Universiteit van Amsterdam.
Lief communicatiemens,
Dit jaar is Logeion tachtig jaar geworden. Tachtig jaar een thuisbasis voor communicatieprofessionals die met en van elkaar leren. Die zich bezig willen houden met een fundamentele vraag: hoe brengen we mensen met elkaar in verbinding? Vandaag wil ik stilstaan bij tachtig jaar Logeion. Bij wat er in ons vak veranderde. Bij wat, ondanks alle veranderingen, hetzelfde bleef. En bij wat ik voor de toekomst hoop.
Dat doe ik met deze brief. Ouderwets, misschien. Maar juist daarom passend. Mijn verhaal start namelijk in 1946: het jaar waarin Logeion haar oorsprong vindt. De Tweede Wereldoorlog is net voorbij. Nederland krabbelt overeind, maar de herinnering aan de oorlog is nog vers. Steden liggen in puin, net als vele levens. Er zijn gaten geslagen in ons land, en ook in het hart. Nederland verlangt naar vrede, naar vrijheid, naar onafhankelijkheid. Maar de wereld is allerminst tot rust gekomen.
Er zijn zorgen. De wederopbouw van ons land vraagt veel, terwijl de toekomst onzekerheid oproept. Na de onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië probeert Nederland met militair geweld het koloniale gezag te herstellen. Er wordt gedemonstreerd en er klinkt protest. Een landelijke opiniepeiling uit die tijd laat zien dat 42 procent van de bevolking tegen uitzending naar Indonesië was. Een vrijwel even groot percentage – 43 procent – was vóór.
Ook op andere vlakken zijn Nederlanders verdeeld. De samenleving is sterk verzuild. Socialisten, katholieken, protestanten en liberalen leven in hun eigen werelden – ieder met een eigen krant, omroep, vereniging en politieke partij. De ander is vaak iemand van de andere zuil. Iemand met een andere overtuiging, een ander gelijk. En in de ogen van sommige Nederlanders, daarom helemaal geen ander mens maar een onmens.
Tachtig jaar later zijn de omstandigheden natuurlijk onvergelijkbaar. Maar er zijn ook een aantal parallellen. Ook nu voelt oorlog dichtbij. Geopolitieke spanningen raken aan onze veiligheid en roepen vragen op over de toekomst van ons land. Vrede lijkt veel minder vanzelfsprekend dan we lange tijd dachten. Ook nu ervaren we tegenstellingen. Sommigen spreken zelfs van verdeeldheid. Niet langer langs de lijnen van de verzuiling maar langs nieuwe scheidslijnen. Links tegenover rechts. Stad tegenover platteland. Woke tegenover anti-woke. Protest tegenover protest. Je bent mens zolang je tot de mens uit de eigen groep behoort. En anders… een tegenstander. Of minder dan dat.
En ook nu spelen vragen over onafhankelijkheid. Niet langer gaat het alleen om de onafhankelijkheid van andere landen maar ook om die van digitale infrastructuren. Dat we voor zo veel van ons dagelijks leven afhankelijk zijn geworden van systemen die we nauwelijks begrijpen of kunnen beïnvloeden, begint te wringen. Hoeveel zeggenschap hebben we nog over onze eigen data, ons eigen leven, nu technologie dat leven steeds meer vormgeeft?
En dan is er nóg een parallel. Want in 1946 staat technologie aan de vooravond van een grote verandering. Een verandering die op dat moment nog nauwelijks te overzien is. Aan de andere kant van de oceaan, in Amerika, wordt een machine gepresenteerd die de wereld voorgoed zal veranderen. De ENIAC – oftewel de Electronic Numerical Integrator and Computer – waarvan sommigen zeggen dat het de eerste general purpose computer was. Een computer zo groot als een kamer. Ruim dertig meter lang, bijna dertig ton zwaar. Een machine die in dertig seconden kon berekenen hoe een afgeschoten granaat zou vliegen én neerkomen – een berekening waar een mens zo’n twintig uur over deed.
Mensen vinden het een wonder. Maar terugkijkend is het meest interessante aan de ENIAC niet wat de machine kon. Dat zijn de mensen die ervoor nodig waren. Zes vrouwen, om precies te zijn. Voor de komst van de ENIAC voerden zij complexe berekeningen uit met de hand. Zij functioneerden als computers. Letterlijk. Want zo heette hun functietitel destijds. Toen de ENIAC verscheen, werden zij niet overbodig. Integendeel. Zij waren nodig voor het configureren van de machine, het controleren van de berekeningen en het corrigeren van fouten. Zij werden een van de eerste humans in the loop.
Wederom bevinden we ons te midden van een grote doorbraak. Alleen zijn het nu niet mensen die computers worden, maar computers die mensen worden. Of nou ja, computers die mensen kunnen nabootsen. Ik heb het natuurlijk over AI. Technologie die voor ons kan rekenen en schrijven, analyseren en converseren. Daarmee halen we computers niet binnen als hulpmiddel, maar als collega.
Dat biedt grote kansen. Daar worden we op dit moment constant mee geconfronteerd. Berichten over AI die ons werk makkelijker, productiever en misschien zelfs creatiever kan maken. Over technologie die ons kan bevrijden van saaie en repetitieve taken zodat er meer ruimte ontstaat voor werk dat juist menselijk oordeel, aandacht en verbeelding vraagt.
Maar er zijn ook grote uitdagingen. Desinformatie en gemanipuleerde content die ons kunnen misleiden. Banen die veranderen of verdwijnen. Discriminatie en andere moreel onwenselijke uitkomsten waar mensen onder lijden. Laatst sprak ik met een groep communicatieprofessionals over die uitdagingen. Ik vroeg hen: ‘Hoe zorgen we ervoor dat we die uitdagingen tackelen, zodat we de belofte van AI kunnen verzilveren?’
Iemand stak toen een hand op. ‘Door het principe van human in the loop’, was het antwoord. ‘Natuurlijk’, zei ik. Dat is cruciaal. ‘Daar moeten we in investeren.’ Maar betrokkenheid van mensen is nog geen garantie voor menselijke uitkomsten. Er zijn immers heeeeeel wat mensen die helemaal niet zo menselijk zijn. En dus stelde ik een tweede vraag: ‘In hoeverre kunnen we ervan uitgaan dat die human in the loop ook daadwerkelijk human is? Of humane?’
Niemand stak toen een hand op.
Dat is veelzeggend. Neem het voorbeeld van de ENIAC. Het was niet de technologie die bepaalde waarvoor het werd ingezet. Dat deden mensen. Mensen die aan de knoppen zaten. Mensen die keuzes maakten. Mensen die bepaalden dat zo’n computer vooral waardevol is om te berekenen hoe een afgeschoten granaat zou vliegen. Waar die zou neerkomen en welke schade het zou veroorzaken.
Dat geldt ook voor AI.
Als we willen dat AI op een menswaardige manier wordt ingezet, moeten de mensen die aan de knoppen zitten ook menswaardige keuzes maken. Mensen die zich afvragen: wie wordt hierdoor geraakt? Is dit eerlijk? Moeten we dit wel willen? En: doen we hiermee wat goed is voor mens, milieu en maatschappij?
We kunnen technologie misschien zo ontwerpen dat ze menselijke competenties nabootst, maar het zijn juist mensen die diezelfde competenties niet altijd menselijk inzetten. Sommigen zeggen: ons vak gaat over verbinden. Zelf zeg ik: ons vak gaat over vermenselijken. Verbinden begint namelijk met de ander als mens zien. Niet als doelgroep of datapunt, tegenstander of medestander, profiel of probleem. Maar als iemand die, net als ieder ander mens, ervaringen heeft en emoties, twijfels en talenten, doelen en dromen, wensen en waarden.
Vermenselijken, lieve communicatiemensen, is geen bijzaak van ons vak. Het vormt de kern ervan. Alleen is VER–MENSELIJKEN een merkwaardig woord. Het veronderstelt dat we iemand eerst tot mens moeten maken. Alsof die persoon niet al mens is. Bij technologie is dat anders: daar ís nog geen menselijkheid. In dat geval kunnen we ver-menselijken.
Dat is anders voor mensen. Misschien moeten we die dus niet ver-menselijken maar dichtmenselijken. Geen mooi woord, daar ben ik mij van bewust. Maar het dekt wel de lading. Dichtmenselijken suggereert dat we iemand niet van buitenaf van menselijkheid voorzien maar van binnenuit proberen te verstaan. Als mens.
Achter het gedrag. Achter het scherm. Achter de woorden. En ook achter harde woorden. Want verbinding ontstaat niet wanneer we de ander menselijk máken. Verbinding ontstaat wanneer we de afstand overbruggen die ons ervan weerhoudt de menselijkheid van de ander te ervaren. Wanneer we luisteren naar wat niet onmiddellijk zichtbaar is. Wanneer we ruimte maken voor wat er vanbinnen leeft. Ook als diegene de wereld op een andere manier beleeft.
Dichtmenselijken is dus een belangrijke taak voor ons communicatiemensen.
Dat was vroeger al zo, in 1946. Toen we getuige waren van een oorlog waarin ontmenselijking tot het uiterste was gedreven. Toen we geconfronteerd werden met de komst van technologie die liet zien dat wat eerst alleen mensen konden, voortaan ook door machines kon worden gedaan. Toen we leefden in een verzuilde samenleving, waarin de ander eerst katholiek, protestant, socialist of liberaal was. En misschien, heel misschien pas daarna medemens.
De uitdaging was toen om opnieuw menselijke connectie mogelijk te maken: niet ondanks verschillen maar dwars erdoorheen. Dichtmenselijken is ook een belangrijke taak anno 2026. Nu de wereld er anders uitziet maar vergelijkbare uitdagingen kent. Nu oorlog ons opnieuw confronteert met het meest onmenselijke waar mensen toe in staat zijn. Nu maatschappelijke tegenstellingen ons uitdagen om de mens achter de mening te blijven zien. Nu AI ons dwingt opnieuw te bepalen wat onmiskenbaar menselijk is in ons werk. Nu het Trendrapport van Logeion aandacht vraagt voor de mens die het verschil maakt, en oproept om zichtbaar te maken: wat klopt, wat verantwoord is.
Ik hoop met heel mijn hart dat we die taak serieus nemen. Dat is niet altijd makkelijk. Uitdagend zelfs. En ook hard werken. Dat vraagt om human beings die ook human doings zijn. Voor de toekomst van ons vak én van onze samenleving als geheel, hoop ik dat we gaan dichtmenselijken. Zodat de communicatieprofessional van de toekomst, diegene die over tachtig jaar terugkijkt op 2026, niet alleen denkt: wat konden ze toen al veel met technologie. Maar vooral: wat konden ze toen goed mens zijn. En: wat heeft dat de mensheid veel goeds gebracht.
Want als we vergelijkbare parallellen kunnen trekken tussen 2026 en 2106, als tussen 1946 en 2026… Dan kunnen we dat goed gebruiken.
Met liefs,
Lotte
Meer recente artikelen

Hoe merkstrateeg Marc Oosterhout een organisatie in één zin vangt

Fusiecommunicatie draait om vertrouwen, niet om plannen op papier

Veel tijd kwijt aan zoeken naar bestanden? Zo krijg je grip op je content

