In klimaat- en natuurcommunicatie gaat de aarde vaak ten onder door ons toedoen. Maar angststrategieën werken niet: je overtuigt wie al overtuigd is en de rest sluit zich af. Gedragswetenschapper Bert Pol ziet een alternatief. Wie planten en dieren niet als dingen maar als verwanten presenteert, heeft een verhaal dat mogelijk wel raakt.
De laatste decennia klinkt een steeds grimmiger geluid: dat van de teloorgang van de natuur als gevolg van menselijk handelen. De mens wordt er verantwoordelijk voor gehouden dat zijn gedrag klimaatverandering veroorzaakt. Denk aan intensieve veeteelt, aan het gedachteloos consumeren van niet-klimaatvriendelijk geteeld voedsel en aan het op grote schaal boeken van vliegvakanties en cruises. Maar ook aan het aan huis laten bezorgen van aankopen en dagelijkse boodschappen — een gewoonte die inmiddels diep is ingesleten. Gemak dient de mens, maar overdaad schaadt. Het dominante narratief is dat de aarde door ons toedoen ten onder gaat. En wij zelf ook, in een toekomst die steeds dichterbij komt.
Angst werkt niet
De vraag is of dat besef wel in voldoende mate doordringt in de maatschappij. Klimaatonvriendelijk gedrag gaat op grote schaal door en de gewenste gedragsverandering blijft zowel in tempo als in omvang ver achter. Een voor de hand liggende oorzaak is dat de gekozen communicatiestrategie gebruikmaakt van een fear appeal: de ontvanger wordt angst aangejaagd. Uit veel onderzoek is bekend dat de effecten daarvan vaak beperkt zijn. Mensen die het eens zijn met het nagestreefde doel juichen die strategie doorgaans toe. Ze zien er een bevestiging in van hun eigen gelijk en een rechtvaardiging van hun eigen keuzes. Degenen die zich niet bewust zijn van de gevolgen van het gedrag waarvoor gewaarschuwd wordt, kijken juist de andere kant op. Ze willen niet met die boodschap geconfronteerd worden en sluiten zich ervoor af, of bagatelliseren hem.
De vraag is of het effect groter zou zijn als dezelfde boodschap in positieve termen wordt gebracht. Zullen mensen de consequenties van hun gedrag dan wel tot zich door laten dringen en passen ze hun gedrag dan wel aan? Persoonlijk belang en hedonisme zijn daarvoor forse obstakels: het vraagt om het opgeven van milieubelastende pleziertjes en gemak. En een deel van de mensen zal de boodschap over klimaatconsequenties eenvoudigweg niet begrijpen.
Planten communiceren, waarschuwen en verleiden
Is er een communicatiestrategie met een ander narratief die bij een groter deel van de samenleving wel het gewenste effect kan sorteren? Mogelijk is die er, dankzij nieuwe inzichten uit de levenswetenschappen. Cognitiewetenschappers, plantenfysiologen, gedragsecologen en moleculair biologen laten steeds overtuigender zien dat planten, bomen en struiken geen passieve objecten zijn die wachten op licht en water en bij gebrek daaraan wegkwijnen en afsterven. Ze hebben een veel complexer leven dan lang werd aangenomen: ze communiceren onderling en maken actief deel uit van gemeenschappen.
Aansprekende voorbeelden gaf de aan de Wageningen Universiteit verbonden ecoloog en vegetatiekundige dr. Nils van Rooij in zijn lezing Hebben bomen en planten een bewustzijn? voor het Studium Generale van de Universiteit Utrecht. Zo blijkt dat als je in de bladeren van een zwarte els knipt, exemplaren verderop hun bladsamenstelling veranderen. Gevaar wordt in zo’n elzengemeenschap dus actief doorgegeven.
In het boek Planta Sapiens werkt onderzoeker en hoogleraar Paco Calvo dit idee verder uit op basis van uitgebreid empirisch onderzoek van het Minimal Intelligence Lab. Een mooi voorbeeld dat hij beschrijft, is de bijenorchidee. Die verleidt mannelijke bijen met paringsdrift door de geur en kleur van vrouwelijke bijen te imiteren. Mannetjesbijen komen daarop af, proberen vergeefs te paren en gaan onbevredigd maar wel vol met stuifmeel door naar andere bijenorchideeën.
Hoe de mens zichzelf bovenaan zette en de natuur de rekening betaalde
Deze inzichten geven aanleiding tot een fundamenteel andere kijk op de plaats van de mens in de wereld. In de huidige dominante opvatting neemt de mens de toppositie in: hij heeft taalvermogen, intelligentie, bewustzijn en zelfbewustzijn. Dieren niet, laat staan planten. Die zijn er voor de mens: bruikbare dingen, als werktuig of voeding. In dit antropocentrische wereldbeeld zijn dieren en planten ondergeschikt aan ons, niet nevengeschikt. Deze menselijke toppositie is zelf een opvolger van een opvatting die vanaf de middeleeuwen tot in de achttiende eeuw toonaangevend was in de westerse wereld. Daarin stond God onaantastbaar bovenaan, in de hiërarchie gevolgd door de engelen. De mens bezette de derde plaats, boven de dieren en de planten. Die stonden op respectievelijk de vierde en de vijfde positie.
Vanaf de negentiende eeuw begon die hiërarchie scheuren te vertonen: God en de engelen verdwenen geleidelijk uit beeld en de mens schoof door naar de absolute toppositie. Voor de natuur was dat geen verbetering. In de christelijke wereldorde rustte op de mens nog de verplichting tot goed rentmeesterschap over al het geschapene. Die rem viel steeds meer weg, en sindsdien beschikken mensen zonder terughoudendheid over de natuur. Met alle gevolgen van dien.
Kantelen we dat wereldbeeld, dan staat de mens niet langer bovenaan met dieren en planten als minderwaardig leven dat hem vrijelijk ter beschikking staat. Ze zijn er niet voor ons. Ze staan ook niet onder ons. Ze bestaan, net als wij. Sterker nog: inmiddels blijkt dat steeds meer dieren over bewustzijn beschikken, sommige soorten zelfs over zelfbewustzijn. En planten, zo laat recent onderzoek zien, zijn geen inerte objecten maar een complexe levensvorm. De vraag is wat die erkenning vraagt van ons gedrag.
Verwantschap als alternatief voor angst
Op grond van de eerdergenoemde nieuwe inzichten is het fout om te concluderen dat dieren en planten menselijke eigenschappen hebben. Dat zou nog steeds een antropocentrisch uitgangspunt zijn dat de eigenheid van andere levensvormen ontkent. Planten, dieren en mensen bestaan op een eigen wijze naast elkaar. En ze zijn afhankelijk van elkaar: hun interactie bepaalt de kwaliteit van hun bestaan en uiteindelijk hun levenskansen. Die afhankelijkheid is geen abstractie. Mensen, dieren en planten kunnen niet zonder elkaar, voor voortplanting en voeding. Op de mens rust de verantwoordelijkheid om zijn gedrag aan te passen. Niet omdat God hem daartoe verplicht, maar omdat zonder planten en dieren voor mensen op deze planeet geen bestaan meer mogelijk is.
Dat planten levende actoren zijn, net zo cruciaal voor ons bestaan als dieren, dringt voor zover ik weet nog nauwelijks door in de communicatie over klimaat en natuur. Dat is een gemiste kans. Verbondenheid ervaar je immers makkelijker met levensvormen die je herkent dan met dingen die je gebruikt. Een narratief dat planten en dieren presenteert als verwanten in plaats van als decor, biedt communicatieprofessionals een alternatief voor de fear appeal waarmee het klimaat- en natuurdebat weinig opschiet. Hier ligt dus een kans.
Hoe verander je het narratief?
Bert Pol beschrijft in dit artikel waarom inspelen op angst weinig uithaalt en wat een ander narratief zou kunnen betekenen voor communicatie over klimaat en natuur. Maar hoe zet je dat om in een concrete strategie? Die vraag staat centraal op de Logeion-bijeenkomst Sociale Psychologie en Klimaatgedrag op woensdag 10 juni in Amsterdam. Gedragswetenschapper Reint Jan Renes en klimaatdeskundige Helga van Leur nemen je mee in de vraag waarom mensen wel willen maar niet doen, en waar kansen liggen voor communicatieprofessionals.
——
Over de auteur
Bert Pol is gedrags- en geesteswetenschapper en emeritus lector overheidscommunicatie. In vakblad C koppelt hij zijn kennis over gedrag en communicatie wetenschap aan actuele thema’s.
——
Dit artikel verscheen eerder in C – het communicatiemagazine van Nederland
Meer recente artikelen

Waarom zoveel samenwerkingen tussen opdrachtgevers en communicatiebureaus vastlopen

‘Angst in klimaatcommunicatie overtuigt wie al overtuigd is. De rest sluit zich af’

SCAMPER en AI: een krachtige aanpak voor creatievere communicatie

